<<terug |lijst| verder>>
Confrontatie
 

Eén keer heb ik een heldendaad verricht. In de tijd dat ik leraar was en op een niet bijster inspirerende manier wiskunde gaf. Er was pas een nieuwe jongen in de hoogste klas. Wat je noemt een probleemgeval: begeleid kamerproject, van een internaat geschopt, geen contact met zijn ouders en meer van die dingen. Ik geloof niet dat hij aan de drugs was, dat was toen nog niet standaard. In de klas lag hij goed. Hij was niet groot, eerder een beetje schriel, maar met zijn hoge trappen en sprongen maakte hij veel indruk. Hij zat op karate of zoiets. 't Was best een gezellige vent al begreep ik niet wat hij op school zocht. Hij kwam vaak te laat. Vroeg je hem wat, dan leek het wel of hij eerst uit een andere sfeer moest neerdalen, alsof hij tijd nodig had om bij het moment van nu aan te sluiten. In buitenaardse wezens geloof ik niet, anders had hij er een kunnen zijn; en dan niet zozeer door de oosterse trekken in zijn gezicht. Hij had een algehele uitstraling van vervreemding, een soort magisch-realistische aanwezigheid. Zijn klasgenoten mochten hem wel. Toch zat hij meestal alleen, vooraan.

Op een ochtend vroeg ik hem of hij eindelijk zijn boeken wilde pakken. We waren al begonnen. Zonder verdere aanleiding sprong hij op, trapte zijn bank omver en kwam als Kung Fu zelf op me afgestoven. Vanaf de dreun waarmee de tafel neerkwam wist ik vierentwintig paar ogen op me gericht. Zijn handen trilden. Zijn ogen stonden wijd open zodat je overal wit om de iris heen zag.

Hoe lang zou dat geduurd hebben, ik weet het niet. Tijd verliest zijn betekenis op dat soort momenten. Misschien een halve seconde, misschien een halve minuut. Ik bleef volkomen stil staan, bewoog me niet en zei geen woord. Ik keek hem aan en zag zijn uitpuilende ogen, zijn gespannen pezen, zijn verwilderde blik. Dat was geen dreiging, dat was pure wanhoop. Iemand die in een ondeelbaar ogenblik de verkeerde richting heeft gekozen en nu geen mogelijkheid meer ziet daar iets aan te veranderen. Als het ware zijn noodlot tegemoet snelt. Een auto zonder remmen, een lift waarvan de kabel breekt, een blinde voor de rand van de afgrond op het punt om nog één stap te zetten.

Ik begreep dat ik geen enkele beweging naar hem toe moest maken, niks dat in de verste verte op een aanval kon lijken. Langzaam knikte ik met mijn hoofd naar zijn bank die op de grond lag. Ik draaide me om, liep naar mijn bureau, pakte een krijtje en schreef een opgave op het bord. Stefan, zo heette hij, liet zijn handen zakken, zette zijn bank overeind zwaaide zijn tas op de bank en pakte zijn spullen. 'Verdomme,' hoorde ik hem zachtjes mompelen. Verder zei hij geen woord. In de klas bleef het stil. Afgezien van de lesstof werd er niet gesproken. Uitzonderlijk was dat.

Na de les heb ik hem een hand gegeven. Hij grinnikte wat ongemakkelijk. 'Tsja,' zei hij, met veel lucht er doorheen, alsof hij tegelijkertijd heel diep zuchtte. Zijn hand was plakkerig van het zweet. Zijn haren staken als altijd met vette zwarte pieken alle kanten uit. Het weekend daarna werd hij opgepakt. Hij had bij een ruzie in de stad iemand zijn neus zowat tegen zijn achterhoofd geslagen. Hij kwam niet meer op school terug.

Jaren later zat ik zelf in de problemen. Het ging zo beroerd met me dat ik me moest laten opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis. Daar was hij ook.. Het was zijn laatste dag. Toen ik hem zag heb ik heel, heel lang gehuild.


<<terug |lijst| verder>>


Schrijverij
een onderdeel van
jemagalles.nl