<<terug |lijst| verder>>
Boem Paukenslag
 

"Kijk, je woont in een Turkenstad, of je woont niet in een Turkenstad." Zijn grijnslach ontblootte zoals gebruikelijk zijn voortanden toen hij dat zei. Onverstoorbaar rammelde hij met zijn bakje, stak het de voorbijganger onder zijn neus en knikte toen die er wat in deed. Hij kon alles tegelijk om zijn nering draaiende te houden.

Praten met de mensen was belangrijk. Ze moesten je kennen, dan gaven ze meer. Maar ze moesten je ook weer niet te goed kennen. Dan gaf je ze het gevoel dat ze er bij hoorden, en dan gaven ze niks. Hij kon niet met iedereen vriendjes zijn. Zoals de kaasboer zijn klanten kent. Zo ongeveer. Hij wist wel wie er iedere dag zijn boodschappen deed en wie er als toerist in de stad was.

Thuis had hij 241 boeken liggen. Dat was zijn kapitaal. "De hele boel mag van mij in de hens vliegen, als die boeken het maar overleven. Allemaal handwerk. Tegenwoordig snijden ze die machinaal. Dan heeft er een of andere draaimusicoloog weer een arrangementje in de computer getikt en dan worden die bij Kolkman in Meppel uitgesneden. Jonge, jonge, wat een prullen. Zelfs het board dat ze gebruiken deugt niet. Zo'n boek is een kwestie van afgestemde precisie. Luister maar, daar heb je hem zo." Hij stak zijn vinger in de lucht om het aan te geven. Luid uit boven het gekwebbel en geklikklak van het winkelend publiek klonk de melodie van My Fair Lady. Boem, paukenslag, precies in de maat. "De trom in dit orgel heeft een beetje een slepende onderdruk, zoals we dat noemen. Die moet je drie millimeter voorsnijden om hem op tijd te laten zijn. Kom daar maar eens om in Meppel. Ze mogen mijn hele kar leeghalen, maar van de boeken blijven ze af."

Het bakje, dat was een vak apart had hij eens verteld. "Kijk, zomaar er op los rammelen, dat werkt niet. Dat snapt een kind. Je bent tenslotte met muziek bezig. Maar je moet niet proberen er - om zo te zeggen - de eerste viool mee te spelen, dat je loopt te pronken met hoe muzikaal je wel niet bent." Het orgel was de basis en je rammelde daar zo quasi nonchalant met mee. Een beetje losjes in de maat. Dat moest je bij het incasseren zo min mogelijk onderbreken. Niet doorrammelen, dat staat ongeduldig. Even stil, kwartje erin, en dan de maat weer oppakken. Een tikje tegen de pet deed het ook altijd goed. Daar kreeg je er wel een lachje mee af. "Kijk, al dat kopen is uiteindelijk welbeschouwd een deprimerende aangelegenheid. Je denkt even dat je iets moois hebt, maar over een week ben je er weer op uitgekeken. Daarom maak ik er een beetje een feestje van met de mensen. Als er muziek is, dan schijnt de zon toch altijd net een beetje feller. Dat doet iedereen goed. En bovendien: vrolijke mensen zijn guller." Met een grijns tikte hij tegen zijn pet en ik deed mijn duit in het bakje.

Heerlijk hoor die wekelijkse rituelen. Zaterdag in Deventer: een visje kopen op de markt, en dan eerst altijd een praatje met de orgelman van de Turk.


<<terug |lijst| verder>>


Schrijverij
een onderdeel van
jemagalles.nl